Voor 2026 wil ik mínder complexiteit, méér resultaat
Als ik in 2026 één ding mag veranderen, dan is het complexiteit. Serieus… gék word ik ervan.
We hebben de digitale wereld gebouwd om ons leven makkelijker te maken. Sneller werken. Minder gedoe. Meer controle. Maar ergens onderweg is dat doel gesneuveld onder laag op laag op laag. Het lijkt wel alsof we zijn gaan doen dat ‘ingewikkeld’ hetzelfde is als ‘professioneel’. Alsof ondoorzichtigheid een teken is van volwassenheid. Alsof elke extra stap veiligheid, kwaliteit of zekerheid toevoegt. In werkelijkheid voegen we vooral frictie toe.
Complexiteit is de stille kostenpost waar niemand eigenaar van is. Het zit niet in één tool, één team, of één beslissing. Het groeit omdat iedereen lokaal optimaliseert en niemand het totaal durft te vereenvoudigen. Het groeit omdat we bang zijn om iets weg te halen. Omdat we alles willen afdekken, alles willen meten, alles willen kunnen, alles willen automatiseren.
En ondertussen vergeten we de simpele vraag: werkt het nog voor de mensen die het moeten gebruiken?
Wat complexiteit écht doet, is ons tempo stelen. Het maakt verandering duurder dan het zou moeten zijn. Het maakt incidenten waarschijnlijker dan ze hoeven te zijn. Het maakt kennis schaars, omdat niemand het geheel nog overziet. En het maakt organisaties afhankelijk: van specifieke leveranciers, specifieke specialisten, specifieke trucjes.
En dat mag, nee moet, allemaal minder en liever nog stóppen in 2026.
Als we in 2026 vooruit willen, moeten we niet nóg ‘slimmer’ stapelen. We moeten durven schrappen. Niet als minimalisme-voor-de-show, maar als strategie. Complexiteit is geen natuurwet. Het is een keuze. En dus moeten we ook anders kiezen.
Abstractie als doel maakt je systeem niet volwassen
Veel abstractie voelt volwassen. Tot je ermee moet draaien.
Een praktijkvoorbeeld: ik analyseerde een logistiek project waar een DBA het plan had opgevat alles los te koppelen van de databaseversie én van het technische datamodel. Het doel klonk goed: upgrades kunnen doen en het datamodel kunnen aanpassen zonder dat de applicatie mee hoeft te veranderen. Minder afhankelijkheden. Minder onderhoud. Meer vrijheid.
Alleen: vrijheid is helaas niet gratis.
Om die ontkoppeling te ‘bewijzen’ ontstond een bouwwerk van views op views op views. Elke wijziging werd verpakt in nóg een laag, zodat de buitenkant hetzelfde bleef. Op papier elegant. In de praktijk werd de database een doolhof. Eentje zonder plattegrond.
En databases hebben één grote superpower: optimaliseren. Ze zijn gebouwd om een query te bekijken, slimme keuzes te maken, indexes te benutten, paden af te wegen en snel te leveren. Maar als je de logica verstopt achter een stapel abstractielagen, ziet de optimizer geen intentie meer. Alleen mist. En dan gaat hij gokken. Met voorspelbare uitkomsten.
In dat praktijkvoorbeeld: de queries werden niet ‘even wat trager’. Ze werden absurd traag. Niet ‘haal maar koffie’-traag. Maar ‘neem maar een week vakantie’-traag. De software deed precies wat hij moest doen, alleen kwam het antwoord te laat om nog waarde te hebben. De DBA had echt z’n best gedaan maar de ‘backfire’ bleek onverwacht groot.
Kijk, portabiliteit is soms nuttig. Zeker als je echt moet kunnen wisselen van platform of leverancier. Maar meestal is het een oplossing, een manier om niet te hoeven kiezen. En als je niet kiest, kies je alsnog: voor extra lagen, extra complexiteit, extra kosten en minder performance.
Het punt is simpel: abstractie is geen deugd. Het is een middel. Gebruik het waar het waarde toevoegt en durf het weg te laten waar het je gereedschap verlamt.
Zo koop je complexiteit met een “best practice”
Niet het juiste framework is één van de snelste manieren om complexiteit te kopen in plaats van te voorkomen.
Frameworks zijn geen waarheid. Ze zijn een hulpmiddel, ontworpen voor een bepaald type organisatie, met een bepaalde schaal en met een bepaald soort digitalisering. Zodra je dat over het hoofd ziet, of onvoldoende wordt uitgelegd, ga je een recept volgen dat voor een ander menu bedoeld is.
Neem het Microsoft Cloud Adoption Framework (CAF). Als je een middelgrote cloudomgeving hebt met pakweg 20–50 applicaties, kan het prima werken: het brengt taal, rollen en stappen in lijn. Maar als het aantal applicaties minder is, wordt CAF als oplossing al snel bureaucratie met een flinke factuur. Je bouwt processen, governance en rituelen die zwaarder zijn dan de omgeving die je probeert te beheren. Je betaalt dus vooral voor ‘er goed uitzien’.
Ga je ver bóven die 20-50 schaal zitten, dan ontstaat het omgekeerde probleem. Het framework kan je infrastructuur en organisatie zo fijnmazig knippen dat je complexiteit explodeert. Teams verliezen overzicht, afhankelijkheden stapelen zich op, netwerkstromen worden onnodig ingewikkeld en het incident dat eerst één plek had, krijgt ineens tien mogelijke oorzaken. Serieus, ik heb dat meer dan eens gezien. Dan ben je niet aan het sturen. Dan ben je aan het zoeken.
En dan is er nog de aard van je digitalisering. CAF is vooral georiënteerd op administratieve en bedrijfsprocessen. Duw je het op domeinen waar snelheid, determinisme en ketenlogica cruciaal zijn, dan krijg je een oplossing die netjes lijkt, maar slecht past. Het resultaat is voorspelbaar: extra lagen, extra overdrachten, extra kosten en minder grip.
Het probleem is zelden het framework. Het probleem is dat we het kiezen alsof het een standaard is, in plaats van een gereedschap.
Groot beginnen: de snelste weg naar een moloch
Te groot beginnen is hoe je complexiteit inbouwt vóórdat je überhaupt waarde levert.
Ik hoor het in projectstarts vaker dan ik koffie drink: “Het moet kunnen groeien naar 5000 gebruikers.” En dus ontwerpen we vanaf dag één alsof die 5000 er morgen al zijn. Niet omdat het nodig is, maar omdat het veilig voelt. Omdat niemand later de schuld wil krijgen van ‘niet schaalbaar’. En omdat niemand waarschuwt voor de gevolgen. Dat doe ik dus wel.
Het gevolg is namelijk voor mij voorspelbaar. We rollen een Kubernetes-landschap uit dat naar alle kanten kan schalen, terwijl er nog geen product is dat het waard is om te schalen. We bouwen een vier- of vijflagenarchitectuur “voor de scheiding”, nog voordat er echte scheidslijnen zijn. We verzinnen API’s, events, koppelingen en integratiepatronen “die we later zeker nodig hebben”, terwijl later nog een hypothese is.
En zo ontstaat er geen modern systeem, maar een logge moloch. Veel bewegende delen, weinig snelheid. Veel componenten om te beheren, weinig functionaliteit die echt telt. De architectuur wordt het project. De complexiteit wordt de planning. En performance wordt iets dat je ‘later’ oplost. Als de boel überhaupt stabiel draait.
De betere route is pijnlijk simpel: begin klein, maar niet naïef. Bouw eerst een compacte versie die de kern doet wat hij moet doen. Niet als prototype dat je weggooit, maar als fundament dat je begrijpt. Meet. Leer. Kijk waar de echte druk ontstaat: gebruik, data, transacties, pieken, afhankelijkheden. En voeg daarna pas complexiteit toe, stap voor stap, op plekken waar die aantoonbaar waarde levert.
Opschalen is geen deugdpunt. Het is timing. Te laat is duur. Te vroeg is ‘dodelijk’. Wie vanaf het begin voor 5000 bouwt, eindigt vaak met 50 gebruikers… en 5000 problemen. En dan hebben het nog niet eens over de factuur…
Tijd om complexiteit te schrappen
We staan aan het begin van 2026. Complexiteit verdwijnt niet vanzelf.
Je kunt er wel mee leren leven. Je kunt er dashboards op plakken. Je kunt er nóg een laag ‘governance’ overheen leggen.
Maar dan betaal je straks niet alleen in euro’s. Ook in snelheid, rust en wendbaarheid.
Als je complexiteit wilt afbouwen of voorkomen, dan moet je één ding doen: weer keuzes durven maken. Wat hoort er wél in? Wat kan eruit? Wat is echt nodig voor jouw schaal, jouw processen en jouw risico’s?
Bij Sciante doen we dit al meer dan 15 jaar. We helpen organisaties om systemen weer begrijpelijk te maken, kosten drastisch te verminderen, performance op orde te brengen en teams weer grip te geven op hun eigen IT. Niet met een extra framework erbovenop, maar door precies genoeg structuur aan te brengen en de rest weg te snijden.
Wil je weten waar bij jou de meeste complexiteit lekt en wat de snelste route is naar eenvoud?
Plan een vrijblijvende afspraak met mij!
In 30 minuten heb je helder: waar je nu onnodig stapelt, welke keuzes je kunt maken en wat je als eerste moet schrappen om weer tempo te krijgen. Zeer waarschijnlijk brengen die 30 minuten je meer dan je verwacht: naast inzichten direct harde euro’s besparingsmogelijkheden.